Verbformen Niederländisch
» v
» voorkomen
| |
Ich |
Du |
Er/Sie/Es |
Wir |
Ihr |
Sie |
| Presens |
voorkom |
voorkomt |
voorkomt |
voorkomen |
voorkomen |
voorkomen |
| Imperfect |
voorkwam |
voorkwam |
voorkwam |
voorkwamen |
voorkwamen |
voorkwamen |
| Toekomende tijd I |
zal voorkomen |
zult voorkomen |
zal voorkomen |
zullen voorkomen |
zullen voorkomen |
zullen voorkomen |
| Conditionalis I |
zou voorkomen |
zou voorkomen |
zou voorkomen |
zouden voorkomen |
zouden voorkomen |
zouden voorkomen |
| Perfectum |
heb voorkomen |
hebt voorkomen |
heeft voorkomen |
hebben voorkomen |
hebben voorkomen |
hebben voorkomen |
| Voltooid verleden tijd |
had voorkomen |
had voorkomen |
had voorkomen |
hadden voorkomen |
hadden voorkomen |
hadden voorkomen |
| Toekomende tijd II |
zal voorkomen hebben |
zult voorkomen hebben |
zal voorkomen hebben |
zullen voorkomen hebben |
zullen voorkomen hebben |
zullen voorkomen hebben |
| Conditionalis II |
zou hebben voorkomen |
zou hebben voorkomen |
zou hebben voorkomen |
zouden hebben voorkomen |
zouden hebben voorkomen |
zouden hebben voorkomen |
| Imperatief |
- |
voorkom |
- |
- |
voorkomt |
- |