Verbformen Niederländisch
» v
» verantwoorden
Verbformen von verantwoorden
| |
Ich |
Du |
Er/Sie/Es |
Wir |
Ihr |
Sie |
| Presens |
verantwoord |
verantwoordt |
verantwoordt |
verantwoorden |
verantwoorden |
verantwoorden |
| Imperfect |
verantwoordde |
verantwoordde |
verantwoordde |
verantwoordden |
verantwoordden |
verantwoordden |
| Toekomende tijd I |
zal verantwoorden |
zult verantwoorden |
zal verantwoorden |
zullen verantwoorden |
zullen verantwoorden |
zullen verantwoorden |
| Conditionalis I |
zou verantwoorden |
zou verantwoorden |
zou verantwoorden |
zouden verantwoorden |
zouden verantwoorden |
zouden verantwoorden |
| Perfectum |
heb verantwoord |
hebt verantwoord |
heeft verantwoord |
hebben verantwoord |
hebben verantwoord |
hebben verantwoord |
| Voltooid verleden tijd |
had verantwoord |
had verantwoord |
had verantwoord |
hadden verantwoord |
hadden verantwoord |
hadden verantwoord |
| Toekomende tijd II |
zal verantwoord hebben |
zult verantwoord hebben |
zal verantwoord hebben |
zullen verantwoord hebben |
zullen verantwoord hebben |
zullen verantwoord hebben |
| Conditionalis II |
zou hebben verantwoord |
zou hebben verantwoord |
zou hebben verantwoord |
zouden hebben verantwoord |
zouden hebben verantwoord |
zouden hebben verantwoord |
| Imperatief |
- |
verantwoord |
- |
- |
verantwoordt |
- |