Verbformen Niederländisch
» r
» raken
| |
Ich |
Du |
Er/Sie/Es |
Wir |
Ihr |
Sie |
| Presens |
raak |
raakt |
raakt |
raken |
raken |
raken |
| Imperfect |
raakte |
raakte |
raakte |
raakten |
raakten |
raakten |
| Toekomende tijd I |
zal raken |
zult raken |
zal raken |
zullen raken |
zullen raken |
zullen raken |
| Conditionalis I |
zou raken |
zou raken |
zou raken |
zouden raken |
zouden raken |
zouden raken |
| Perfectum |
heb geraakt |
hebt geraakt |
heeft geraakt |
hebben geraakt |
hebben geraakt |
hebben geraakt |
| Voltooid verleden tijd |
had geraakt |
had geraakt |
had geraakt |
hadden geraakt |
hadden geraakt |
hadden geraakt |
| Toekomende tijd II |
zal geraakt hebben |
zult geraakt hebben |
zal geraakt hebben |
zullen geraakt hebben |
zullen geraakt hebben |
zullen geraakt hebben |
| Conditionalis II |
zou hebben geraakt |
zou hebben geraakt |
zou hebben geraakt |
zouden hebben geraakt |
zouden hebben geraakt |
zouden hebben geraakt |
| Imperatief |
- |
raak |
- |
- |
raakt |
- |