Verbformen Niederländisch
» o
» overvallen
Verbformen von overvallen
| |
Ich |
Du |
Er/Sie/Es |
Wir |
Ihr |
Sie |
| Presens |
overval |
overvalt |
overvalt |
overvallen |
overvallen |
overvallen |
| Imperfect |
overviel |
overviel |
overviel |
overvielen |
overvielen |
overvielen |
| Toekomende tijd I |
zal overvallen |
zult overvallen |
zal overvallen |
zullen overvallen |
zullen overvallen |
zullen overvallen |
| Conditionalis I |
zou overvallen |
zou overvallen |
zou overvallen |
zouden overvallen |
zouden overvallen |
zouden overvallen |
| Perfectum |
heb overvallen |
hebt overvallen |
heeft overvallen |
hebben overvallen |
hebben overvallen |
hebben overvallen |
| Voltooid verleden tijd |
had overvallen |
had overvallen |
had overvallen |
hadden overvallen |
hadden overvallen |
hadden overvallen |
| Toekomende tijd II |
zal overvallen hebben |
zult overvallen hebben |
zal overvallen hebben |
zullen overvallen hebben |
zullen overvallen hebben |
zullen overvallen hebben |
| Conditionalis II |
zou hebben overvallen |
zou hebben overvallen |
zou hebben overvallen |
zouden hebben overvallen |
zouden hebben overvallen |
zouden hebben overvallen |
| Imperatief |
- |
overval |
- |
- |
overvalt |
- |