Verbformen von koïncideren

Gebrauch def.
Trennbar -
Tegenwoordig en verleden deelwoord koïnciderend
und gekoïncideerd
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens - - koïncideert - - koïncideren
Imperfect - - koïncideerde - - koïncideerden
Toekomende tijd I - - zal koïncideren - - zult koïncideren
Conditionalis I - - zal koïncideren - - zullen koïncideren
Perfectum - - heeft gekoïncideerd - - hebben gekoïncideerd
Voltooid verleden tijd - - had gekoïncideerd - - hadden gekoïncideerd
Toekomende tijd II - - zal gekoïncideerd hebben - - zult gekoïncideerd hebben
Conditionalis II - - zal hebben gekoïncideerd - - zullen hebben gekoïncideerd
Imperatief - - - - - -