Verbformen von klapperen

Gebrauch -
Trennbar -
Tegenwoordig en verleden deelwoord klapperend
und geklapperd
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens klapper klappert klappert klapperen klapperen klapperen
Imperfect klapperde klapperde klapperde klapperden klapperden klapperden
Toekomende tijd I zal klapperen zult klapperen zal klapperen zullen klapperen zullen klapperen zullen klapperen
Conditionalis I zou klapperen zou klapperen zou klapperen zouden klapperen zouden klapperen zouden klapperen
Perfectum heb geklapperd hebt geklapperd heeft geklapperd hebben geklapperd hebben geklapperd hebben geklapperd
Voltooid verleden tijd had geklapperd had geklapperd had geklapperd hadden geklapperd hadden geklapperd hadden geklapperd
Toekomende tijd II zal geklapperd hebben zult geklapperd hebben zal geklapperd hebben zullen geklapperd hebben zullen geklapperd hebben zullen geklapperd hebben
Conditionalis II zou hebben geklapperd zou hebben geklapperd zou hebben geklapperd zouden hebben geklapperd zouden hebben geklapperd zouden hebben geklapperd
Imperatief - klapper - - klappert -