Verbformen von gaggelen

Gebrauch def.
Trennbar -
Tegenwoordig en verleden deelwoord gaggelend
und gegaggeld
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens - - gaggelt - - gaggelen
Imperfect - - gaggelde - - gaggelden
Toekomende tijd I - - zal gaggelen - - zult gaggelen
Conditionalis I - - zal gaggelen - - zullen gaggelen
Perfectum - - heeft gegaggeld - - hebben gegaggeld
Voltooid verleden tijd - - had gegaggeld - - hadden gegaggeld
Toekomende tijd II - - zal gegaggeld hebben - - zult gegaggeld hebben
Conditionalis II - - zal hebben gegaggeld - - zullen hebben gegaggeld
Imperatief - - - - - -