Verbformen von flakkeren

Gebrauch def.
Trennbar -
Tegenwoordig en verleden deelwoord flakkerend
und geflakkerd
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens - - flakkert - - flakkeren
Imperfect - - flakkerde - - flakkerden
Toekomende tijd I - - zal flakkeren - - zult flakkeren
Conditionalis I - - zal flakkeren - - zullen flakkeren
Perfectum - - heeft geflakkerd - - hebben geflakkerd
Voltooid verleden tijd - - had geflakkerd - - hadden geflakkerd
Toekomende tijd II - - zal geflakkerd hebben - - zult geflakkerd hebben
Conditionalis II - - zal hebben geflakkerd - - zullen hebben geflakkerd
Imperatief - - - - - -