Verbformen Niederländisch
» b
» buitenhouden
Verbformen von buitenhouden
| |
Ich |
Du |
Er/Sie/Es |
Wir |
Ihr |
Sie |
| Presens |
houd buiten |
houdt buiten |
houdt buiten |
houden buiten |
houden buiten |
houden buiten |
| Imperfect |
hield buiten |
hield buiten |
hield buiten |
hielden buiten |
hielden buiten |
hielden buiten |
| Toekomende tijd I |
zal buitenhouden |
zult buitenhouden |
zal buitenhouden |
zullen buitenhouden |
zullen buitenhouden |
zullen buitenhouden |
| Conditionalis I |
zou buitenhouden |
zou buitenhouden |
zou buitenhouden |
zouden buitenhouden |
zouden buitenhouden |
zouden buitenhouden |
| Perfectum |
heb buitengehouden |
hebt buitengehouden |
heeft buitengehouden |
hebben buitengehouden |
hebben buitengehouden |
hebben buitengehouden |
| Voltooid verleden tijd |
had buitengehouden |
had buitengehouden |
had buitengehouden |
hadden buitengehouden |
hadden buitengehouden |
hadden buitengehouden |
| Toekomende tijd II |
zal buitengehouden hebben |
zult buitengehouden hebben |
zal buitengehouden hebben |
zullen buitengehouden hebben |
zullen buitengehouden hebben |
zullen buitengehouden hebben |
| Conditionalis II |
zou hebben buitengehouden |
zou hebben buitengehouden |
zou hebben buitengehouden |
zouden hebben buitengehouden |
zouden hebben buitengehouden |
zouden hebben buitengehouden |
| Imperatief |
- |
houd buiten |
- |
- |
houdt buiten |
- |