Verbformen von bidden

Gebrauch -
Trennbar -
Tegenwoordig en verleden deelwoord biddend
und gebeden
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens bid bidt bidt bidden bidden bidden
Imperfect bad bad bad baden baden baden
Toekomende tijd I zal bidden zult bidden zal bidden zullen bidden zullen bidden zullen bidden
Conditionalis I zou bidden zou bidden zou bidden zouden bidden zouden bidden zouden bidden
Perfectum heb gebeden hebt gebeden heeft gebeden hebben gebeden hebben gebeden hebben gebeden
Voltooid verleden tijd had gebeden had gebeden had gebeden hadden gebeden hadden gebeden hadden gebeden
Toekomende tijd II zal gebeden hebben zult gebeden hebben zal gebeden hebben zullen gebeden hebben zullen gebeden hebben zullen gebeden hebben
Conditionalis II zou hebben gebeden zou hebben gebeden zou hebben gebeden zouden hebben gebeden zouden hebben gebeden zouden hebben gebeden
Imperatief - bid - - bidt -