Verbformen von bengelen

Gebrauch -
Trennbar -
Tegenwoordig en verleden deelwoord bengelend
und gebengeld
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens bengel bengelt bengelt bengelen bengelen bengelen
Imperfect bengelde bengelde bengelde bengelden bengelden bengelden
Toekomende tijd I zal bengelen zult bengelen zal bengelen zullen bengelen zullen bengelen zullen bengelen
Conditionalis I zou bengelen zou bengelen zou bengelen zouden bengelen zouden bengelen zouden bengelen
Perfectum heb gebengeld hebt gebengeld heeft gebengeld hebben gebengeld hebben gebengeld hebben gebengeld
Voltooid verleden tijd had gebengeld had gebengeld had gebengeld hadden gebengeld hadden gebengeld hadden gebengeld
Toekomende tijd II zal gebengeld hebben zult gebengeld hebben zal gebengeld hebben zullen gebengeld hebben zullen gebengeld hebben zullen gebengeld hebben
Conditionalis II zou hebben gebengeld zou hebben gebengeld zou hebben gebengeld zouden hebben gebengeld zouden hebben gebengeld zouden hebben gebengeld
Imperatief - bengel - - bengelt -